Opinie: Een evenwichtig taalbeleid leidt tot betere kansen voor onze studenten

Frank Devos
jorisvives.png

Reactie Koen Goethals (algemeen directeur HOGENT) en Joris Hindryckx (algemeen directeur VIVES) op opiniestuk Gelijke kansen? Forget it! (De Standaard 14/01) 

Enkele professoren luiden de alarmklok over een voorstel om het aandeel anderstalige bacheloropleidingen van 6 naar 9 procent te brengen én om de maximumgrens van het aandeel anderstalige vakken binnen een Nederlandstalige opleiding van 18,33 naar 50 procent op te trekken (De Standaard 14/01, “Gelijke kansen? Forget it”). Het opiniestuk verwijt de bevoegde minister dat hiermee het Nederlandstalig hoger onderwijs te grabbel wordt gegooid aan invloedrijke bestuurders van universiteiten en hogescholen die afgeschilderd worden als managers met een cijferfetisj en gewetenloze lobbyisten die enkel op extra inkomsten en prestigewinst uit zijn.

Het mag duidelijk zijn dat wij onszelf als bestuurder van een hogeschool – HOGENT en VIVES - absoluut niet herkennen in het karikaturale en eenzijdige beeld dat hier geschetst wordt. Liever dan in te gaan op dergelijke dubieuze overwegingen, willen we ons richten op enkele argumenten die bijdragen tot het publiek debat waar het opiniestuk uiteindelijk toe oproept.

Hogescholen streven naar kwaliteitsvol en doelmatig onderwijs, dat zich zowel op de Vlaamse als op de bredere internationale gemeenschap richt. Ze zetten in op belangrijke competenties: innovatief werken, ondernemerschap, burgerzin, professionalisme, kritisch denken, … De resultaten liegen er niet om: onze afgestudeerden zijn gegeerd op de arbeidsmarkt en leveren essentiële bijdragen in alle mogelijke sectoren. De hogescholen richten zich daarbij op de regio en de gemeenschap, op diverse beroepssectoren én ze onderschrijven het belang van maatschappelijk engagement en correct taalgebruik. Maar ze willen ook internationaal een speler zijn en blijven. Internationalisering is daarbij geen doel op zich maar een middel om de kwaliteit en de impact van het onderwijs en het praktijkgericht onderzoek te versterken.

Mobiliteit

Eén van de belangrijkste manieren om dit te realiseren is mobiliteit van studenten en lesgevers. De meerwaarde hiervan kan niet genoeg benadrukt worden en heeft niet alleen te maken met taal maar ook met de confrontatie met andere contexten, benaderingen, inzichten én met het uitdragen van Vlaanderen in Europa en daarbuiten. Die mobiliteit impliceert echter een wederkerigheid tussen partners: als wij studenten willen uitsturen, moeten we ook studenten kunnen ontvangen en dat betekent dus dat we opleidingsonderdelen in het Engels moeten aanbieden. En via contact met de buitenlandse studenten die hier studeren kunnen Vlaamse studenten die thuisblijven toch internationaliseringscompetenties verwerven. Die realiteit ontkennen of eenzijdig vertalen in een debat over gelijke kansen doet geen recht aan de mogelijkheden die een evenwichtig beleid ter zake biedt aan onze afgestudeerden die in een geglobaliseerde context terecht komen. Ook hiervoor moeten we de kansen voor al onze studenten versterken.

Het doel is en blijft dus toekomstbestendige, professioneel geschoolde persoonlijkheden op te leiden in een per definitie internationaal werkveld. En aangezien de hogescholen enkel bacheloropleidingen aanbieden – met uitzondering van de kunstopleidingen die overigens een internationaal profiel hebben – is een beleidskader dat dit alles ondersteunt meer dan aangewezen. Met ‘rankings’ (waarvoor overigens het Nederlandse woord ‘ranglijst’ bestaat) en prestige heeft dat niets te maken. Wel met het geven van kansen aan alle studenten om hun werkveld ook in een bredere context te zien.

Binnen bepaalde spelregels hebben hogescholen autonomie en binnen die autonomie formuleren hogescholen hun onderwijsbeleid, hun onderzoeksbeleid en hun internationaliseringsbeleid. In geen enkele tekst sturen onze hogescholen aan op zogenaamde verengelsing: het is zelfs geen discussiepunt of overweging. We hebben een duidelijke mening over wat we doen, onderbouwd door verschillende robuuste en overwogen kaders die zich richten op een maatschappelijke opdracht en een visie hierop, niet op ranglijsten of prestigeprojecten. Zo hebben we ook een duidelijk kader voor het taalbeleid. Als we willen werken aan internationalisering waarbij alle studenten aan boord blijven, dan moeten we ervoor zorgen dat die zogenaamde verengelsing op de juiste manier en goed gedoseerd aangepakt wordt. Iets analoogs geldt overigens net zo goed voor het Nederlands dat altijd de belangrijkste onderwijstaal zal blijven en ook als bestuurstaal stevig overeind moet blijven. We kunnen dan wel klagen dat het niveau van het Nederlands erbarmelijk is, maar die neerwaartse trend was ook zonder de verhoging van het toegelaten aantal Engelse opleidingsonderdelen al aan de gang. Het gaat hier overigens niet om percentages anderstalige vakken maar wel om wat men ermee doet. En dit wordt aangepakt in een duidelijk hogeschool-breed taalbeleid.

Negatieve teneur

De teneur van het opiniestuk is zeer negatief, pessimistisch en af en toe beschuldigend. We zien niet goed in waarom Vlaamse hogescholen nu plots niet langer vanuit goed bestuur en vanuit een gezonde visie op hun Vlaamse en internationale positie kunnen omgaan met de mogelijkheden die het aangepaste decreet biedt. We zien ook niet in hoe de aangepaste regelgeving per definitie moet leiden tot een algemene verengelsing. Uiteraard zal hier doordacht en overwogen mee omgegaan worden. We kennen geen enkele hogeschoolbestuurder die het Nederlands als onderwijstaal minderwaardig vindt of die ernaar streeft om zoveel mogelijk bacheloropleidingen in het Engels aan te bieden. De aanpassingen waar het voorstel van decreet in voorziet zijn er onder andere op gericht om aan de hogescholen meer kansen te bieden om voor hun bacheloropleidingen - die gericht zijn op de arbeidsmarkt en dus geen doorstroomopleidingen zijn - internationaliseringstrajecten mogelijk te maken. De universiteiten hebben voor hun afstudeeropleidingen (de masteropleidingen) al veel langer die kans gekregen. Het voorstel van decreet is een bijzonder gewaardeerd antwoord op een expliciete vraag die de hogescholen al langer stellen en die in het ‘Memorandum Vlaamse verkiezingen 2019’ van de Vlaamse Hogescholenraad expliciet werd opgenomen.

Dat betekent geenszins dat de hogescholen het Nederlands zouden geringschatten. Er zijn genoeg andere mechanismen die helpen vermijden dat de opleidingen en dus de studenten en lesgevers het Nederlands zouden verwaarlozen en uiteindelijk verliezen. Niet in het minst de zorg en de aandacht voor de instromende studenten die verwachten dat hen kwaliteitsvol Nederlandstalig onderwijs wordt aangeboden. En daar hebben de hogescholen al heel lang ervaring mee. ‘Quod erat demonstrandum’, om eens geen Engels te gebruiken.

Het komt er op aan om dankzij een aangepaste regelgeving een zorgvuldig en overwogen beleid te voeren dat in eerste instantie het Nederlandstalig hoger onderwijs verder ondersteunt en daarnaast de internationale dimensie versterkt. Beide beleidslijnen hoeven elkaar absoluut niet in de weg te staan. De hogescholen zijn alvast verheugd dat er een voorstel van decreet voorligt dat terdege rekening houdt met hun vraag naar beleidsruimte in dat opzicht.

Men mag echt wel vertrouwen hebben in de visie, de strategie en de kwaliteit van de Vlaamse hogescholen, ook wat betreft taalbeleid. Laat dat alvast een uitgangspunt zijn voor het publieke debat waar het opiniestuk toe oproept.

Joris Hindryckx
Algemeen directeur VIVES
Voorzitter VLHORA
Koen Goethals
Algemeen directeur HOGENT 
Ondervoorzitter VLHORA

Beide auteurs spreken hier in eigen naam en dus niet noodzakelijk namens hun hogeschool of de VLHORA.

Deel dit via